datum: 8 januari 2012
hedde efkes, Lieven Heer
ik kan ‘t oe mer beter zelf zeggen
‘t kumt eigenlijk hier op neer
‘t is lastig um uit te leggen
ge waart haost familie van mijn
en die laotte nie zo hendig vallen
mer ‘t liep al ‘nen tijd op ‘n eind
ik hoef nie te gaon, want ik was al weg
onvermijdelijk en geleidelijk
dus ‘t wordt tijd um ‘t hardop te zeggen;
Lieven Heer, ik vuul ‘t nie meer
nou moet ik zeggen, Lieven Heer
da oew volgelingen ook nie helpen
ze zijn zo recht in de leer
hoe ik leven moet; ze weten ‘t wel
ze weten precies, wa ik zou moeten doen en laoten
en ze hebben ‘t Boek in de hand
stijf is de kaft en stijf zijn de woorden
tussen de regels lezen ze nie
hard is d’n taal, ik hoef ‘m nie meer te heuren
Lieven Heer; vur mij hoeft da nie
nou moet ik ook nie, Lieven Heer
ineens as ‘t begint te nauwen
as ik ‘t heb verkloot gauw weer
hendig van d’n Heer gaon houwen
trapt er nie in, en ge moet ‘t ook nie willen heuren
en m’n bidden en zo evenmin
mer as ge ooit ‘n kaarske ziet branden
kan ‘t van mijn zijn, vur die me lief zijn
en vur oew volgelingen recht in de leer
da ze verzachten, Lieven Heer
da ze verzachten, Lieven Heer
Inspiratie – het betekent letterlijk in-ademen, geest in je opnemen.
Die geest maakt je geest-driftig,
geeft richting aan je denken en handelen,
geeft energie.
Bert en ik kwamen een paar jaar geleden in de Ekklesia,
Einar is er al veel langer.
Maar we hadden allemaal hetzelfde gevoel, toen we in de Ekklesia kwamen:
hier heb je ruimte om te ademen,
hier voel je niet de benauwdheid waar Gerard van Maasakkers over zingt in zijn liedje ‘Hedde efkes, Lieven Heer’,
de benauwdheid die ik soms in de Hervormde kerk voelde
en die Bert de laatste tijd steeds meer in zijn parochie voelde.
Op adem komen is niet het eindpunt, het moet een begin zijn.
Herschep ons hart, heradem ons verstand,
dat wij elkaar behoeden en doen leven.
Toen de heer God aarde en hemel maakte,
waren er op aarde nog geen wilde planten
en groeide er geen enkel veldgewas,
want de heer God had nog geen regen op de aarde laten vallen
en er was nog geen mens om de grond te bebouwen,
om het water uit de aarde omhoog te halen
en de aardbodem te bevloeien.
Toen boetseerde de heer God de mens uit stof dat Hij van de aarde nam,
en Hij blies hem de levensadem in de neus:
zo werd de mens een levend wezen.
1.
Waar haal ik mijn inspiratie vandaan? Welke woorden, welke mensen, geven mijn gedachten en hopelijk ook mijn handelen richting?
Ik moet dan allereerst denken aan Dorothee Sölle en Huub Oosterhuis. En aan de Ekklesia, klankbord voor mensen als zij.
Ze hebben me bevrijd van een godsbeeld waarin ik eigenlijk niet geloofde,
en waar ik toch – bij gebrek aan beter – wat halfslachtig aan bleef vasthouden.
Ze hebben me geleerd dat religie en politiek niet te scheiden zijn en dat de God van de bijbel bovenal een god van de armen en verdrukten is.
2.
In 1975, het jaar dat ik voor het eerst naar de Ekklesia ging, kwam het boekje ‘De heenreis’ van Dorothee Sölle uit.
Een hoofdstuk uit dat boek gaat over sprookjes.
Sölle schrijft daar:
Ja, denk ik dan, religie wordt ook vaak als sprookje afgeschilderd.
Net als een sprookje is er niets van waar, is dan meestal de achterliggende boodschap.
Ik denk dat religie inderdaad een sprookje is,
maar dan in die zin dat het ook in religie gaat om zoeken, verliezen en vinden.
En net als in een sprookje gaat het niet altijd om het letterlijke verhaal maar om wat daarachter ligt.
Sölle wijst ook nog op een ander aspect van sprookjes.
Vaak wordt in sprookjes iemand op pad gestuurd om een opdracht uit te voeren, een levensdoel te vinden.
Gewoonlijk is dat de prins, de oudste zoon, de rijke jongen;
ze gaan op pad maar slagen er niet in hun opdracht te volvoeren.
Zij bereiken hun doel niet.
Dan wordt de jongste zoon, de arme, de geringe, de onnozele op pad gestuurd.
En die slaagt wel, waar de eersten niet slaagden.
Waarom?
Omdat de eersten niet genoeg gehard zijn,
teveel bagage hebben, die tot ballast is geworden;
omdat ze niet meer open staan voor wat er op hun weg komt.
Ik herken dat soms in mezelf,
als ik luister naar iemand, maar dat meteen aanvul met mijn eigen gedachten en ideeën;
of als ik maar half luister omdat ik in gedachten met andere dingen bezig ben.
Zij die wel slagen staan open voor anderen en durven op anderen te vertrouwen.
Religie, zegt Sölle ook, is de plaats, waar de grootste wensen en verlangens van mensen gedroomd worden – de grootste, dat wil zeggen de empirisch niet vervulbare.
Critici van de Godsdienst, dat zijn ook de critici van de poëzie, zegt Sölle,
want wat is poëzie anders dan het verwoorden van het zoeken naar het
absolute. Critici proberen die wensen te vervangen door materiële
verlangens
om die – deels - te vervullen. Zo proberen ze je af te
houden van waar het om gaat. Dat zal ze niet lukken, zegt Sölle.
3.
Dertig jaar later, in februari 2005, zei Huub Oosterhuis in een toespraak:
Het was toen, eind jaren zestig, dat enkelen van ons zich bewust werden van die ‘politieke strekking’ van de Schrift;
en het was vooral een tekst, een statement van de joodse wijsgeer en
rabbijn Emmanuel Levinas, die zich in ons geheugen heeft gegrift en in
de loop der jaren hier vele malen is voorgelezen... en nu dus weer.
Levinas schrijft: ‘In het feit dat de relatie tot het goddelijke via de
relatie tot de mensen verloopt en met de sociale gerechtigheid
samenvalt, ligt de hele geest van de joodse bijbel. Mozes en de
profeten bekommeren zich niet om de onsterfelijkheid van de ziel, maar
om de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling.
De relatie tot
de mens, waarin het contact met het goddelijke zich voltrekt, is niet
een soort “geestelijke vriendschap”, maar een rechtvaardige economie,
waarvoor ieder mens ten volle verantwoordelijk is.’
Die toespraak vormde toen tevens de aanzet tot het ‘Messiaans Beraad’,
een platform dat beoogde bondgenootschappen te smeden, mensen te
bemoedigen, het politieke debat te bevorderen en Nederland te
veranderen.
In de loop van de jaren heeft het Beraad zich daarbij steeds meer toegespitst op het asielbeleid.
4.
Op 10 december van het vorig jaar, op de dag van de rechten van de
mens, werd in het Humanity House de film Illégal getoond.
De film vertelt het verhaal van de Russische Tania die naar België is gekomen in de hoop een betere toekomst te vinden voor haar en haar zoon Ivan. De twee verblijven al acht jaar in België, spreken de taal en burgeren goed in. Zonder papieren, dat wel; een aanvraag voor een permanente verblijfsvergunning is afgewezen. Op een kwade dag wordt Tania opgepakt bij een routinecontrole. Ze wordt in een gesloten asielcentrum geplaatst, Ivan weet ternauwernood te vluchten.
Dan begint de film pas echt. Je ziet indringend wat je allemaal eigenlijk al weet:
dat illegalen, mensen zonder papieren, - zoiets is alleen maar een
overtreding, geen misdaad, - worden behandeld als zware
criminelen.
Hoe ze onder grote druk worden gezet, met maar één doel, hen goedschiks of kwaadschiks over de grens te zetten.
Sommigen kunnen de druk niet aan, geven het op en laten zich uitzetten.
Soms is die druk zelfs zo groot, dat zelfmoord een uitweg wordt.
Wie niet kan worden uitgezet, wordt tenslotte weer op straat gezet, opnieuw de illegaliteit in.
De ene bewaker is de andere niet. Sommigen zijn redelijk
vriendelijk, anderen afstandelijk, bot, vijandig. Maar dat maakt voor
de ‘gevangenen’ niet veel uit.
Als Tania voor de zoveelste keer onder zware druk is gezet, vraagt een van de vriendelijke bewaaksters haar of ze dan toch niet beter kan berusten in uitzetting – zoveel erger kan het in haar land toch niet zijn. Tania bijt haar dan toe, “Denk je dat we masochisten zijn, dat we dit alles ondergaan terwijl het in ons land beter is? Hebben we nog niet genoeg geleden om hier te mogen blijven? Hoeveel moeten we nog lijden voor we toegelaten worden?’
5.
Waar haal ik inspiratie vandaan? Misschien wel van mensen als Tania;
Tania die blijft geloven in het sprookje van een land waar je eerlijke
kansen krijgt om te leven, die blijft vechten en hopen, hoewel het
steeds duidelijker is, dat dat sprookje niet bestaat;
Tania, die zich niet klein laat krijgen. Misschien is dat wel
religie: om in sprookjes te blijven geloven en eraan te werken dat die
ooit waar worden.
In het sprookje aan het begin van de bijbel boetseerde de heer God
de mens uit stof dat Hij van de aarde nam, en Hij blies hem de
levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen.
Toen Onze Lieve Heer daarna even uitrustte om op adem te komen moet
hij hebben gedacht: daar gaan ze op hun reis; wat zal er van hen
worden? Gaan ze alleen hun driften achterna, van ieder voor zichzelf en
de anderen zoeken het maar uit; de weg ten dode? Of zullen ze elkaar
tot leven leven, beseffend dat mijn adem in hen is? Zó moge het zijn.