Stilteviering: Op leven en dood (1)


datum: 14 maart 2010

Inleiding

In deze lange winter waren in mijn tuin alle lage planten een tijdje onder de sneeuw verdwenen. Alle loofbomen kaal op een enkel blad na dat bruin en dor toch nog steeds aan zijn tak bleef hangen. 

Maar nu is de lente in aantocht. De krokussen staan in bloei. Ieder jaar staat de natuur weer uit de aarde op. Na de doodse toestand van de winter komt er weer nieuw groen uit de grond, komt er weer nieuw blad aan de bomen of komt nog voor het blad al heel de boom in bloesem. Ik geniet daar altijd heel erg van.

Het is alsof de aarde in de winter het plantenleven had ingeademd en dat nu in de lente het leven door de aarde weer wordt uitgeademd. Jong en fris groen lijkt het licht helderder te maken en de lucht weer te versterken met voorjaarsgeur.

Gaat dat ook zo bij ons mensen?  Ja en nee.
Een mensenleven lijkt op het leven van een boom. Ons leven kent ook een pril begin en een jeugd en groeit uit tot volwassenheid. Dat is het beeld van de levensboom.
Maar mensen verschillen in hun levensloop veel meer van elkaar dan planten of dieren van dezelfde soort. Een mens is veel sterker een individu. Ieder mens is, zou je vergelijkend kunnen zeggen, een soort.
Daarom is voor een mens de dood ook zo anders dan voor een plant of een dier. Daar gaat een soort niet zo snel dood. Maar bij ieder mens die sterft, gaat een uniek mens dood.

De mens is wel als een boom; maar de mens is geen boom. Daarom kunnen bomen worden geplant en gekapt. Maar een mensenleven moet ons heilig zijn.
Het leven moet ons heilig zijn. Daarom moeten we ons afkeren van al het kwaad, dat het leven bedreigt. Daarom moeten we "behoeden en doen leven".  Dat klinkt in alle toonaarden op uit de Bijbelboeken. Zo ook vandaag.

Marcus 11:

12   Als ze de volgende morgen wegtrekken
uit Betanië,
krijgt hij honger.
13  Van veraf ziet hij een vijgenboom
in blad staan, en hij gaat erheen
of hij misschien iets aan haar
kan vinden,
en als hij bij haar komt
vindt hij niets dan bladeren;
want het is geen tijd voor vijgen.
14  Ten antwoord zegt hij tot haar:
moge tot in der eeuwigheid nooit meer
iemand een vrucht van jou eten!
Zijn leerlingen hebben dat gehoord.

-----------------------