datum: 24 januari 2010
Welkom,
Wie je ook bent en waar je ook vandaan komt,
Wat je hier ook uit wil delen of wil vinden,
Wat je hier wil verzamelen of kwijt wil raken.
Welkom.
Vandaag weer een viering over een deel van de Bergrede. In het voorjaar van 2009 begonnen we met vieringen over een aantal zaligsprekingen en gedeelten uit die hoofdstukken van Mattheus, die als een grote lering van Jezus aan zijn leerlingen wordt weergegeven. Jezus ging de berg op en zette zich neder en zijn leerlingen aan zijn voeten. Zo begint dat gedeelte. Het is een lering in zekere zin in dialoog met Mozes en alle geleerde mensen, die Mozes leringen uitleggen.
Soms is wat Jezus in de bergrede leert dichtbij. Het lijkt
eenvoudig te doen. Soms lijkt het een onmogelijke opgave. Onmogelijk
waar te maken.
De Joodse wetten, uitgewerkt tot talloze regeltjes, waren voor veel
mensen onmogelijk een leven lang vol te houden. Alleen farizeers en
schriftgeleerden, die al die wetten bestudeerd hadden, konden dat. En
soms lijkt het of Jezus daar alle begrip voor heeft als hij al die
wetten terugbrengt tot een enkele essentie. Met die insteek kunnen we
uit de voeten. Maar dan wordt, zo lijkt het, die conclusie weer
krachtig weerlegd.
Wat nu? Blijven wij in verwarring heen en weer stuiteren?
En kunnen wij met zulke tegenstrijdigheden in de wereld van vandaag een
richting bepalen?
Laat het recht stromen als water, zei Amos, en gerechtigheid als een
overvloeiende beek.
Sla
voor jezelf geen schatten op in schatkamers op aarde, waar
mot en roest ze ontoonbaar maken en waar dieven naar binnen graven en
stelen.
De eerste indruk van deze wijsheid van Jezus uit de Bergrede is dat wij
ons daar weinig aan gelegen laten liggen. Want we verzamelen als
hamsters. Onze huizen vullen we met alles wat maar aantrekkelijk is of
ons status verschaft; ja, alles wat we nodig denken te hebben. En dan
heb ik niet over de mensen, die koopziek zijn, of mensen die nooit
iets, zelfs nog geen oude krant, weggooien. Maar over mensen
als jij en ik, die soms een leuk tafeltje bij het grof vuil vinden en
die graag de bruikbare spullen bewaren om er iets mee te doen.
En de tweede indruk van deze wijsheid, komt als we herlezen:
Sla voor jezelf
geen schatten op in
schatkamers op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar
maken en waar dieven naar binnen graven en stelen. Het gaat
Jezus er niet om dat de boer geen gereedschap mag hebben om het land te
bewerken, maar dat je voor jezelf, geen schatten moet opslaan in
schatkamers, veilig voor later opgeborgen, om jezelf later te bewaren
voor ongemak en nood. Maar dat appeltje voor de dorst, zoals
we die schatten dan kleinerend noemen, dat willen we maar al te graag
bewaren als de mogelijkheid zich voordoet. Of we het nu bewaren noemen,
sparen of beleggen. Wie gaat daar nu bewust anders mee om? Wie zoekt er
naar mogelijkheden om zijn overschotten zinnig in te zetten, te
besteden waar ze voor anderen dienstig zijn?
De schatten, die we op aarde verzamelen, moeten ons beschermen tegen de
onzekerheid waarin wij moeten leven. Maar er zijn geen aardse schatten
die ons die zekerheid werkelijk kunnen verschaffen. Integendeel, de
schatten die we op aarde kunnen verzamelen, maken de onzekerheid alleen
maar groter. Hoe meer we verzamelen, hoe groter de angst, dat we ons
bezit zullen verliezen.
Maar ik citeerde nog maar de eerste helft van deze wijsheid.
De tweede helft luidt: Maar sla voor jezelf schatten op in schatkamers in de
hemel, waar geen mot en roest ze ontoonbaar maken en waar
geen dieven naartoe graven en stelen; want waar je schat is, zal ook je
hart zijn!
De eerste vraag, die opkomt: schatkamers in de hemel, hoe kan ik daar
iets opslaan? Wat zijn dat dan voor schatten?
Hier in de bergrede wordt niet direct toegelicht hoe dat moet worden
begrepen: schatten opslaan in schatkamers in de hemel. Wel in Mattheus
19, in het gesprek dat Jezus met de (rijke) jongeling voert. Daar wordt
deze wijsheid nog eens in andere woorden herhaald: Een schat in de
hemel vormt zich als je afstand kunt doen van je bezit en het aan de
armen schenkt.
In psalm 73 beschrijft de psalmdichter hoe jaloers hij zich voelt als hij ziet hoe goed het gaat met mensen, die het goede niet doen, die God vergeten. Die mensen zijn weldoorvoed, het leven is voor hen niet moeilijk. Ze hebben een grote mond en een kwaadaardige tong; zij hebben volgelingen genoeg en wie niet zelf voor hen buigt, laten ze in het stof bijten; voor hen is er water in overvloed. Tevreden vermeerderen zij hun vermogen. En groeit hun verwaandheid.
Zo niet bij de rechtvaardige. Wie zijn hart zuiver houdt,
wordt iedere dag geconfronteerd met deze onrechtvaardige gang van
zaken. Die vraagt zich dag aan dag af: Waarom gaat het er zo aan toe in
de wereld? Zijn hart verzuurt en nierstenen plagen hem. Dwaas en dom
voelt hij zich, als deze gang van zaken hem voor ogen staat.
Tot hij inziet, hoe het einde van de godvergeten bozen is. Zij staan
waar het glad is en plots zijn zij weggegleden. Opeens zijn zij
verdwenen. Vergaan als een droombeeld bij het ontwaken.
God behoedt wie zuiver van hart is. God is zijn rots, zijn
toevluchtsoord, zijn redding.
Deze psalm geeft ons een beeld van hoe het is om het goede te
doen. Dat is niet eenvoudig. Je moet je heel goed realiseren, dat het
tegen de "normale"gang van zaken ingaat, als je het goede nastreeft. Je
kunt je niet verrijken ten koste van anderen. Je moet je om anderen
bekommeren, de hongerige voeden, de behoeftige kleden, de vreemdeling
opnemen. Alleen het geloof dat de Ene rechtvaardig is en dat
deze levensweg de weg die voor iedereen het leven mogelijk maakt, geeft
de kracht deze weg vol te houden.
Als je die weg bewust gaat, staat je geen zuur leven te
wachten. Je verzuurt wel als je de schijnbare
onrechtvaardigheid van de wereld niet doorziet. Maar wie zich hiervan
bewust wordt, hervindt de levensvreugde. De levensvreugde wordt dan
veel groter, omdat het schenken aan anderen je meer verrijkt, dan het
vergaren van welke rijkdom dan ook.
Eugen Drewermann zegt in zijn boek over de Bergrede over deze uitspraken van Jezus: Het geld dat we een ander schenken, omdat hij het nodig heeft, vormt een meer blijvend bezit, dan wat wij behouden; wat we een ander geven, keert als een aflossing in eeuwigheid tot ons terug. Het schenken kan voor ons niet het kopen van de toegang tot de hemel zijn. Dan zou de hemel een toegangsprijs hebben. Nee, het loont werkelijk aardse goederen alleen te gebruiken om er goed mee te doen. Slechts het brood dat wij te eten geven, zal ons verzadigen, zegt het lied. Geven wat een ander werkelijk nodig heeft, is overigens niet zo eenvoudig. Daarvoor moet je je in de ander inleven, je met de ander verbinden. Maar als je kunt schenken wat hij nodig heeft, is de vreugde heel groot niet alleen op aarde, maar ook in de hemel.
Leo van Driel
Gij, eeuwige, God die-er-zijn-zal,
open ons hart tot u,
laat ons licht zijn van uw licht,
laat ons uw licht ontdekken in de ander
laat ons licht zijn voor elkaar.
We noemen de namen van hen aan wie wij
in het bijzonder denken, en lichtjes steken lichtjes voor hen aan,
(hierna kon ieder dat wilde een voorbede doen).
Er zijn mensen die slechts weinig geven van het vele dat zij hebben - en zij geven het om gezien te worden en hun verborgen wens maakt hun gaven onrein.
En anderen hebben weinig en zij geven alles. Zij geloven in het leven en deszelfs overvloed en hun schatkist is nooit ledig.
Uit 'De profeet' van Kahlil Gibran
------------------------