Bergrede: Broederschap


Welkom

Welkom, wie je ook bent en waar je ook vandaan komt, 
koninklijke wijzen uit het oosten, en druïden uit het westen 
Welkom
Jullie allemaal, Broeders, Zusters
In het geloof zijn wij allemaal mensen.  Hier zijn Broederschap en Zusterschap gelijk. In die geest moet het thema van deze viering worden verstaan.

Inleiding

Vandaag weer een viering over een deel van de Bergrede. In het voorjaar van 2009 begonnen we met vieringen over een aantal zaligsprekingen en gedeelten uit die hoofdstukken van Mattheus, die als een grote lering van Jezus aan zijn leerlingen wordt weergegeven. Jezus ging de berg op en zette zich neder en zijn leerlingen aan zijn voeten. Zo begint dat gedeelte. Het is een lering in zekere zin in dialoog met Mozes en alle geleerde mensen, die Mozes leringen uitleggen.

Soms is wat Jezus in de bergrede leert dichtbij. Het lijkt eenvoudig te doen. Soms lijkt het een onmogelijke opgave. Onmogelijk waar te maken.
De Joodse wetten, uitgewerkt tot talloze regeltjes, waren voor veel mensen onmogelijk een leven lang vol te houden. Alleen farizeers en schriftgeleerden, die al die wetten bestudeerd hadden, konden dat. En soms lijkt het of Jezus daar alle begrip voor heeft als hij al die wetten terugbrengt tot een enkele essentie. Met die insteek kunnen we uit de voeten. Maar dan wordt, zo lijkt het, die conclusie weer krachtig weerlegd.
Wat nu? Blijven wij in verwarring heen en weer stuiteren?
En kunnen wij met zulke tegenstrijdigheden in de wereld van vandaag een richting bepalen?
Laat het recht stromen als water, zei Amos, en gerechtigheid als een overvloeiende beek.

Overweging bij Mt 5 : 17-26

In het gedeelte van de bergrede dat we vandaag lezen, wil Jezus allereerst duidelijk maken waar hij staat als Jood. Hij stelt zich niet buiten, of boven de wet. Integendeel!  "Denk niet, dat ik gekomen ben om de wet of de profeten af te breken. Ik ben niet gekomen om af te breken, maar om te vervullen."

De vervulling van de wet staat voor Jezus in het teken van het koninkrijk der hemelen én gerechtigheid. Dat is het centrale thema van de gehele Bergrede: het koninkrijk der hemelen is onder ons. 

Jezus verzet zich tegen bepaalde uitleg van de wet, die blijk geeft van misbruik ervan. De wet wordt voor eigen doeleinden aangewend en niet ter bescherming van zwakken en armen.
Jezus brengt géén nieuwe wet, maar radicaliseert de oorspronkelijk wet. Hij gaat terug naar de radices, de wortels van de wet.
Zó gaat hij, volgens Mattheus, ook in op het bekende gebod: "Gij zult niet doden", één van de tien geboden, gegeven aan het joodse volk, onderweg naar het beloofde land.
Ook wij hebben dit gebod in ons geheugen gegrift.
Ik iemand doeden? Nee dus. Of toch wel?

De verzen hier gaan niet letterlijk over doodslag, iemand ombrengen, hetgeen strafbaar is.
Er wordt gesproken over: "Wie vertoornd is op zijn broeder ... zal strafbaar zijn voor het gerecht...
Vertoornd zijn, voorafgaand aan doodslag letterlijk....
Een ouderwetse term...
Nu zouden wij zeggen: boos, woedend, agressief, scheldend, niets/niemand ontziend.
De tweede dood over iemand laten komen, het gevoel de ander te moeten vernioetigen, af te schrijven.

Wat maakt iemand zo boos dat hij of zij niet meer weet wa hij/zij doet?

In de krant en op de t.v. kunnen wij dagelijks lezen en zien wat de gevolgen zijn van individuele én collectieve boosheid. Pijn, verwondingen, vernielingen, oorlog..., uitbuiting.

Dorothee Sölle zegt hierover in "Mijn broeders hoedster"

Wij rijken doden dagelijks mensen in tweederde van de wereld door onrechtvaardige prijzen en schuldenlast, door landroof en bewapening, die vooral de economie van de rijken ten goede komt. Wij beschermen onze afzetmarkten, steunen terreurregimes.
Ook wij zijn medeplichtig aan volkerenmoord die voor onze ogen plaats vindt.
Latere generaties zullen mogelijk net zo ontzet omkijken naar wat wij gedaan hebben, net zoasl wij nu terugkijken naar beelden van de Tweede Wereldoorlog.

Ook dichterbij in ons eigen gezins- en familieleven, op ons werk, tussen collega's, in onze straat, in het verkeer is er de boosheid, ruzie, agressie, verdriet.

Jezus zegt:
Je verzoenen met je broeder. je zuster, je naaste is essentieel, vóór je je offergaven mag aanbieden, vóór je mag breken en delen.

Het schiet je te binnen dat je naaste iets tegen je heeft... het is in je bewustzijn individueel of collectief.....
Niet tegen wie ik iets heb; nee, dat mijn naaste iets tegen mij heeft. Dat is een moment om stil te worden, bij stil te staan.
Wie heb ik boos gemaakt?
Wie voelt zich door mij buitengesloten?
Tegen wie heb ik me vijandig opgesteld?
Wie heb ik afgschreven?
Wie heb ik tot slachtoffer gemaakt?
Maak ik politiek en economisch de goede keuzen?
Dit is het moment van inkeer, van ommekeer, op weg gaan naar de ander. Een poging tot gesprek, een gebaar. Een beginnetje op weg naar verzoening?

Dit is voor mij, voor ons niet gemakkelijk. In programma's als 'De rijdende rechter' wordt gevraagd bindende uitspraak te doen bij onmin tussen mensen. Vaak over materie.

Toch is dit nog niet wat Jezus bedoelt, want als we de gerechtigheid van de schriftgeleerden en de Farizeeën, die behoorlijk juridisch onderlegd waren, niet ver overtreffen..... zullen wij zeker niet binnengaan in het Rijk der hemelen.

Een programma als 'Het familiediner' probeert te mediëren in kapotte relaties in familieverband.
Hulp van buitenaf is soms nodig om mensen naar elkaar te laten luisteren, de andere kant te laten zien; om over je eigen drempel te stappen en zo tot verzoening te komen.

In deze verzen van Mattheus is er spanning tussen wat moet, het gebod, en de diepste bedoeling ervan.
Een menswaardige samenleving, gerechtigheid is méér dan wat moet zijn, op straffe van... Het is een appèl aan ons intuïtief weten wat goed is .....doen!
Een oproep, verantwoording te dragen voor onze eigen boosheid, deze niet op te zouten, niet te verharden. Een oproep wegen te zoeken naar open communicatie, naar verzoening. Méér durven geven, dan de ander verwacht. Een oproep met al onze beperkingen en onvolkomenheden medemens te willen zijn.

Alléén als wij die goddelijke stem in ons geweten verstaan kunnen wij elkaar behoeden en doen leven.

Overweging: Marijke Blaauw-van Dongen


Voorbeden (begin)

Ene, Levende.
Ik wil u danken voor al die mensen om me heen, die als spiegels mij mijzelf laten zien. Zonder hen zou ik niet weten wie ik ben. Of ze nu mijn mooie kanten weerspiegelen, en me vertellen dat ik aardig ben; of mijn lelijke kanten weerspiegelen en me vertellen dat wat ik doe akelig en vervelend is.  Ik dank u voor uw wijsheid als deze mij verwarmt, maar ook zij mij afstoot. Want hoe ik ook ben, u bent in liefde bij mij.
(hierna kon ieder dat wilde een voorbede doen).

--------------

datum: 10 januari 2010