Buber: De weg van de mens (4)
25 okt 2009


Vandaag het volgende hoofdstuk uit het boek van Buber, de weg van de mens. Een boek in de traditie van de Chassidim, zoals julie weten  een mystiek-orthodoxe stroming.
Hoewel  Buber zichzelf eerder tot het Reformjodendom rekende, legde hij zich erop toe dat het Westen deze orthodoxe en ultra-orthodoxe mystieke beweging leerde begrijpen. Daartoe vertaalde hij talrijke vertellingen en tradities van het chassidisme naar het Duits en maakte ze op die manier bekend.
Tijdens zijn leven was Buber een bemiddelaar tussen de bedreigde traditionele joodse wereld in het Oosten en de westerse wetenschappelijke en rationalistische moderne tijd. Een man van de dialoog.

Nog even de thema’s van de eerste drie vieringen: De vraag: Adam, waar ben je?
Dan de viering rond de bijzondere weg die jouw weg is: Niet Mozes willen zijn, maar Susja (midrasj. De chassidische leer gaat er van uit dat mensen in wezen ongelijk zijn, maak ze daarom niet gelijk aan elkaar , maar waardeer de verscheidenheid. Een oproep om te ontdekken wat je eigen vurigste wens is.
Dan de viering rond het tot eenheid smeden van je ziel (het lapwerk), de viering dat ieder zijn weg kan schoonhouden, die ander vergeving kan vragen en vergeving kan schenken zonder een stap terug van die ander te verwachten.

Nu dan het hoofdstuk: Je niet met jezelf bezighouden!

Is dit, zo vraag je je af nu niet in tegenspraak met al die voorgaande wijsheden: begin bij jezelf, weet je plek, weet je eigen weg, maak vrede met die ander, zonder ook maar een stap in jouw richting te verwachten. En nu: nu mag ik weer niet met mezelf bezig zijn.

Nee, verklaart Buber. Het gaat hier om onnodig naar binnen gericht geneuzel. Je dient wel bij jezelf te beginnen maar vooral niet met jezelf te eindigen., van zichzelf uitgaan, maar niet naar zichzelf toestreven.
Buber legt  het woord ommekeer onder de lamp: ommekeer staat in het middelpunt van de Joodse opvatting over de weg van de mens. Door je om te wenden vernieuw je je plek in Gods wereld, maar het is nog meer dan dat, het is meer dan berouw of boetedoening, het betekent weer op de weg komen van je bestemming, van jouw eigen weg
Eindeloos bezig blijven met iets dat niet perfect, nee zelfs fout was.
In feite ben je dan niet met die ander bezig, voor wie je het zo graag goed wil doen, maar gewoon met jezelf. Wroetend in je eigen ongemakkelijkheid dat je niet goed genoeg zou zijn.

Sterker nog, als je blijft piekeren over wat fout ging blijf je steeds dat foute herhalen in je denken. Je ligt in wat je denkt dan vast. Het geen jij denkt is niet meer in beweging, het is niet meer vloeibaar, het is gestold.
Wat dan onmogelijk is is dat je je omwendt, dat je je omkeert naar het goede. Het lijkt erop dat je jezelf haast niet kunt vergeven dat je niet feilloos was en dat is niet helend.
Daarom staat er: wend je af van het kwade, doe het goede. Fout gemaakt: doe het goede daar tegenover.

Erboven uit dit  gaat nog  aldus Buber: wie zich blijft kwellen is alleen maar bezig met het eigen zieleheil, de eigen perfectie staat de relatie met die ander in de weg. Je bent bezig jouw beeld te creeren en je bent opgehouden in relatie te zijn. Zo simpel is dat.
Ik ken wel mensen die – als er iets fout gaat – zeggen: oh ja, dat heb ik helemaal fout gedaan. Stom zeg. Die zijn makkelijk, denk ik dan. Maar het is ook heerlijk fris, fout, o.k. kan gebeuren, mijn intentie was goed, volgende keer beter en kijk aan, ik ben toch een goed mens, helemaal tof.
Ik verbaas me iedere keer over de moderne uitleg van Buber. Het verliecht mijn ziel a.h.w. Het doet me ook altijd denken aan de boeken van Eckart Tolle, de kracht van het nu die ook voortdurend benadrukt dat een mens drie mogelijkheden heeft bij ongelukkige gevoelens: je mag eraan blijven hechten (hij raadt het niet aan, maar het mag!) , je kunt de situatie aanvaarden, of je kunt in actie komen en er iets aan veranderen.
Buber zegt: Rabbi Ger waarschuwde op dezelfde manier voor zelfkwelling. Stop er mee. Of je nu rechtsom in de drek roert of linksom, drek blijft het. In de tussentijd kan ik immers parels rijgen, de hemel tot vreugde!