Wordt God hier gevraagd als een held zichtbaar te worden en ons te komen bevrijden van wat ons benauwd? Is God hier de machtige Koning, die daarboven op zijn troon in de hemel zich voor ons onzichtbaar houdt? Moeten wij hem smeken zich aan ons te laten zien? De machtige Heerser die het allemaal onder zijn hoede heeft, wil Hij zo vriendelijk zijn ons te bevrijden? Is dat wat Oosterhuis met deze regels wil zeggen? Dat is een beeld van God waar ik me niet in kan herkennen. Die machtige Heerser op zijn troon, is niet louter goedheid. Als God alles bestuurt, treft Hij ook de aarde en de mensen met rampen. Nee, zo is het dus niet.
Dit beeld van God hebben we losgelaten, maar wat dan? Is er dan geen God? Er zijn veel mensen, die dat denken. Of is God dan anders? Heel anders dan dat oude beeld van de machtige Koning? Maar toch is dat beeld van God als machtige Koning heel lang voor velen een dominant beeld van God geweest. En dat beeld was niet zomaar weg. Dat blijkt ook wel uit het het lied dat we zongen. Oosterhuis roept zo dat beeld weer op.
Toch is dat beeld van God aan het verdwijnen. En met het verdwijnen van dat beeld, verdwijnen de mensen ook uit de kerken. Ik denk dat deze twee verschijnselen met elkaar samenhangen. Wie tegen dat beeld van God als machtige koning innerlijk in verzet komt, verlaat de kerk om dat beeld los te laten. Of die verbindt zich met een ander beeld, zoals God is louter liefde, en kan daardoor in de kerk blijven. Ja, er valt natuurlijk veel meer over te zeggen, en er valt veel aan te nuanceren, maar ik beleef dit toch als een duidelijke karakteristiek van de ontwikkeling.
In samenhang met het verdwijnen van dat Godsbeeld, veranderde ook het beeld van Jezus. Jezus is dus niet de zoon van die machtige heerser God. Want die god is er niet. Wie is Jezus dan wel? Voor ons begint het beeld van Jezus nu bij de mens Jezus. Mens, medemens. Mens, die met ons lijdt, die met ons sterft. Mens, die ons inspireert, de weg wil wijzen om menselijk te leven. In deze zin hebben wij nog een beeld van Jezus. Zo leeft hij nog voor ons. Dat kwam ook in de antwoorden op de vragen die we aan jullie stelden over jullie beeld van Jezus naar voren.
Jezus heeft, zo vertellen de evangelisten, wel een innerlijk levende relatie met God. Maar wat is dat dan voor een God? Moeten wij niet opnieuw op zoek naar die God, die hij ons leerde aanroepen als "Onze Vader"?
Want Jezus als inspiratiebron hebben en geen idee, geen enkel beeld van God hebben, lijkt me een onhoudbare positie.
Maar hoe vinden wij dan God? Waar zoeken we? In het lied van Oosterhuis vragen we God tevoorschijn te komen, op te staan, zich te laten zien. Als een alledaagse werkelijkheid is dat onmogelijk. God is geen persoon, die zich een tijdje verstopt heeft, en dan "Joehoe, hier ben ik dan!" gaat roepen. Als God tevoorschijn komt, voor ons opstaat, zich aan ons laat zien, kan dat alleen maar op een heel andere manier. Dan gaan ons de ogen open voor een andere werkelijkheid, die je alleen met het hart kunt zien.
Zijn wij bereid om opnieuw op zoek te gaan naar God? Want als we dat niet doen, dan kunnen we nog een tijdje doorgaan, maar dan kan het toch niet anders dan dat we onze inspiratie verliezen als religieuze gemeenschap. Want het gaat niet als vanzelf denk ik, God zoeken. Zolang we ons slechts richten op de alledaagse werkelijkheid, zullen we God niet vinden. Dan hadden we God allang gevonden.
Moeten wij ons niet veel scherper bewust worden van wie God is, van hoe God is, dat God volstrekt anders beleeft kan worden? Zodat wij God vinden, welicht weer vinden, God, die ons inspireert, die ons in beweging zet, op weg stuurt?
En Jezus: is hij het of hebben wij een ander te verwachten, laat Johannes zijn leerlingen vragen. En het antwoord is inspirerend voor de blinden, de lammen, melaatsen, doven, doden en de armen. Zij zien, lopen, genezen, horen, staan op en nemen de boodschap met blijdschap ter harte. Zij wisten kennelijk dat ze blind, verlamd, ziek, doof, dood en arm waren. En ze zochten, zochten tot ze vonden. Willen wij ook zoeken?
Leo van Driel/ 6 juni 2009